|
Ooit was de andere oever – de ‘overzijde’ - voor de mens het zinnebeeld van het ideaal dat hij
tijdens zijn leven niet kon bereiken. De waarde van zijn droom lag precies in het onaanraakbare
of niet realiseerbare karakter ervan.
Maar de gulzige tijd waarin wij leven is minder terughoudend
en quasi zonder berusting op dat vlak. De mens van vandaag kent geen vrede vooraleer alles werd
verklaard, geconsumeerd en zo mogelijk minutieus in kaart gebracht. Wat vaak neerkomt op
ontluistering van het sacrale en het einde van alle symboliek...
De huidige wereld heeft schijnbaar aan een eendimensionale werkelijkheid genoeg. En zozeer
heeft zij zich ermee geconformeerd dat er daarbuiten nauwelijks nog iets te ontdekken valt.
Nagenoeg alleen het utilitaire en kwantitatieve aspect komt er nog aan bod.
Daarom is voet zetten op dederdeoever een belevenis. Het betekent de opheffing van een
wezenlijk maar niet altijd als dusdanig ervaren tekort. Want vroeg of laat gaat de door de tijdgeest
bedrogen en onder zelfvervreemding lijdende mens op zoek naar wat als mogelijkheid (en niet
minder als plicht) in hem is neergelegd.
Het is de moeilijke weg naar de Ander in jezelf die tegelijk ook de Ander van alle anderen is. Eens
je daarvan bewust, ga je hem, die weg, desnoods blootsvoets of met een veldfles vol zure wijn om
je nek. En niet de wind in het riet wijst de richting, maar de gerimpelde naald van een oud
kompas dat naast de weg, verloren in het gras en blikkerend in de zon, de aandacht trekt.
De tocht naar dederdeoever voert doorheen ongekend gebied. Reeds waar twee of meer, zich
bewust van eenzelfde gemis, zich verenigen, ontstaat het voorgevoel dat in ieder van hen een
stukje van dezelfde puzzel werd gelegd - van een beeld waarvan ze weten dat het pas zijn vorm
herkrijgt als ook anderen treden uit de verbrokkeling. Het ogenblik is dan niet veraf dat deze als
woorden hun bestemming vinden in de geborgenheid van een zin. En net als in een gedicht: niet
enkel om de dwingende saamhorigheid of letterlijke betekenis van de woorden is het te doen,
maar om de bezieling die ‘van elders’ als een toegift geschonken wordt en waarvan de
raadselachtigheid als een warme gloed door ze trekt.
Wij, pelgrims naar ‘dederdeoever’, nemen onderweg enkele draadjes van het hier reeds al te
zeer verscheurde sociale weefsel weer op. We voelen ons pionnen op het schaakbord van alles
wat aan de kwalitatieve neergang weerstand biedt. Door ons te engageren op een breed cultureel
vlak. Bescheiden, maar evengoed onmisbaar – als een bootje met veerman dat aanrukt op het
simpele klingelen van de bel. Ten dienste van. |