|
Gedicht van dederdeoever-lid en dichter Achiel Janssens ter gelegenheid van de plechtige inhuldiging van de landschapsdichter Roland Jooris op 8 juni 2008.
 Achiel Janssens ars poëtica
Iemand vroeg: ‘Waar gaat het om, in poëzie?’
De dichter antwoordde: ‘Bijvoorbeeld om wat broksgewijs komt bovendrijven als je, nauwelijks verpinkend, urenlang naar hetzelfde plekje op het water staart. Om de
zelfbeheersing dat vervolgens
te negeren. Want niet de olievlek na de scheepsramp is
van tel, maar de gevoelens van de golven daar omheen.
Volgens dit principe worden gedichten gemaakt:
zij reproduceren geen zichtbare, gekende realiteit,
maar alles wat ontsnapt aan de genadeloos registrerende
blik van een lens. Niet wat je dagelijks in de kranten leest,
of wat het journaal haalt op tv, maar wat misschien
wel nooit gebeurt en waarvan mensen toch leven.
Want ware kunst, zelfs al is zij vormelijk perfect,
worstelt niettemin met een tekort: hinkend
is zij onderweg naar een volmaaktheid waarmee
ze nooit zal samenvallen; deze bevindt zich immers altijd
buiten het gezichtsveld. Haar onmacht is aangeboren en
maakt haar ontroering uit, met dit gemis is zij verzoend.’
Achiel janssens © 2008
|